De wolvacht is gelijkmatig, lang en slicht, van voldoende fijnheid en vrij los gestapeld. Slechts heel lichte kronkeling van de wolvezels is toegestaan. Spiralisatie (kurketrekkers), kroes (neiging tot vervilten) en sterke kronkeling van de wol (laddertjes) zijn niet toegestaan. Compacte vachten en het veelvuldig voorkomen van kempharen in de wolvacht zijn ongewenst. Vanwege het lange slichte woltype van de Mergellander ontstaat er een scheiding van de wol over de wervelkolom. Deze scheiding mag niet te extreem zijn, aangezien de huid niet bloot mag liggen (ook niet tijdens langdurige regenval). Mergelland schapen hebben buikwol. Kraag en manen worden gewaardeerd. De kleur van de wol is wit. Enkele gekleurde vezels zijn toegestaan. Lammeren worden vaak geboren met een nekvlek en een vlek op het puntje van hun staart. Deze vlekken verdwijnen bij het ouder worden.

Incidenteel voorkomende zwarte Mergelland schapen zijn toegestaan. Bij zwarte mergelland schapen zijn de kop, de poten en de wol zwart. De zwarte wol kleurt na de eerste scheerbeurt bruin zwart of zilvergrijs ( dit is pigment verlies van de kleur ). De zwarte kleur vererft niet dominant.

De wolproductie is bij de eerste scheer gemiddeld 4- 5 kg. Bij overjarige ooien 3- 4 kg en bij overjarige rammen 4- 5 kg.

Sommige mergelland schapen hebben een kraag. Bij de rammen komen manen vaak voor. Beide eigenschappen zijn facultatief ( ze zijn niet verplicht ).